facebooklogo2
Kinderfysiomechelinck

Sensorische informatieverwerking

Sensorisch betekent zintuiglijk. Onze zintuigen geven informatie die wij nodig hebben om te kunnen overleven en te kunnen functioneren in het dagelijkse leven. We moeten ons veilig voelen en ons kunnen aanpassen aan de steeds wisselende omstandigheden.

De zintuigen ontvangen informatie van zowel binnen als buiten ons lichaam. Als we het over zintuigen hebben denken we meestal aan de ogen de oren de reuk en smaak en de tastzin. Heel belangrijk zijn echter ook de verborgen zintuigen, zoals het evenwichtsorgaan, en het gevoel vanuit de spieren en gewrichten.

Bij activiteiten gebruiken we verschillende zintuigen tegelijk. De informatie die vanuit de zintuigen binnenkomt, komt samen in het zenuwstelsel en dit zorgt er voor dat de informatie goed wordt verwerkt. Zo weten we steeds wat er in ons lichaam en in de omgeving aan de hand is en kunnen we daar adequaat op reageren.

schommel

Waarnemen
Wanneer we met onze zintuigen iets voelen (=evenwicht, aanraking, diepe spier- en lichaamsgevoel), zien, horen, ruiken of proeven, noemen we dat waarnemen. Vaak is zo’n waarneming aanleiding voor ons om iets te doen of juist niet te doen. De samenwerking tussen waarnemen en de activiteit die daarvan het gevolg is, wordt senso(moto)rische integratie oftewel zintuiglijke informatieverwerking genoemd. Ze bestaan afzonderlijk van elkaar, maar moeten als een geheel (leren) functioneren.

Sensorische informatieverwerking (SI)
Een goede verwerking van zintuiglijke informatie is belangrijk voor de ontwikkeling van de motoriek, de spraak, het kunnen plannen van complexe

handelingen en van het gedrag. Sensorische integratie speelt tevens een belangrijke rol bij het waarschuwen voor gevaar, het richten van de aandacht en het opnemen van informatie. Het is bijna niet voor te stellen hoe belangrijk onze zintuigen zijn. Ze kunnen er bv voor zorgen dat we wakker blijven (harde muziek aan in de auto) of juist rustig worden (met een geurkaars aan in bad). Onze zintuigen bepalen dus hoe we ons voelen en hoe we ons gedragen.

Sensorische integratieproblemen
Bij sommige kinderen verloopt de verwerking van de informatie die vanuit de zintuigen binnenkomt niet zo soepel en vanzelfsprekend als het eigenlijk zou moeten. Het gaat in deze context om zintuigen die op zichzelf normaal functioneren, maar de informatie vanuit die zintuigen wordt dan in de hersenen niet goed verwerkt. Deze kinderen nemen de informatie niet goed waar (rommelig, alles even sterk of gebrekkig registrerend) of ervaren prikkels sterker (overgevoelig) of juist minder sterk (ondergevoelig) dan hun leeftijdsgenootjes. Door deze discriminatie-, sensomotorische- en modulatie problemen wordt de binnenkomende informatie niet optimaal aan elkaar gekoppeld.

Kinderen met sensorische informatieverwerkingsproblemen, willen graag wel soepel reageren op de buitenwereld, maar ze kunnen het niet. Ze krijgen de informatie over de wereld anders binnen omdat ze zintuigen hebben die niet goed samenwerken. Dat heeft invloed op hun motoriek en/of gedrag. Het gevolg is vaak onbegrip vanuit de omgeving. Die snapt immers niet waarom het kind zo snel boos wordt, veel tegen iets aan stoot, bang is of niet goed luistert. Daarom is het belangrijk sensorische informatieproblemen te (h)erkennen zodat er hulp en begrip komt voor de problemen die het kind ondervindt.

Voorbeelden van problemen met sensorische informatieverwerking

  • Op het gebied van het evenwicht: Het kind durft niet goed met de voeten van de vloer, bv bij het leren fietsen of bij het schommelen. Of het kind zoekt juist veel beweging op en krijgt er niet genoeg van; ook kan een kind niet veel willen bewegen omdat het zich bv te laat opvangt omdat hij de val te laat waarneemt.
  • Op het gebied van de aanraking: Het kind vindt het vervelend om aangeraakt te worden, gaat het uit de weg of reageert met afweer op zaken zolas haren wassen, tanden poetsen, nieuwe kleding, vindt lopen op blote voeten niet fijn ed; of een kind raakt juist zelf alles aan, wil juist op blote voeten lopen, voelt niet dat hij vies is, stopt alles in zijn mond of vindt het heerlijk om met modder te spelen.
  • Op het gebied van het diepe spier- en lichaamsgevoel: Het kind beweegt houterig omdat hij zijn spieren en stand van zijn lichaamsdelen niet goed aanvoelt, vermijdt bv de speeltuin; maar ook kan het zijn dat het kind juist veel hangt of tegen je aan leunt of zich juist veel laat vallen of ergens tegen aan loopt te duwen.
  • Op het gebied van het zien: Het kind kan niet goed tegen fel licht, is graag in het donker of heeft moeite met aankijken. Maar een ander kind kan juist erg moeilijk onderscheid maken, ook al is er sprake van kleurcontrast of zoekt juist felle dingen op, of moet alles in de kamer volgen.
  • Op het gebied van het horen: Het kind kan overstuur raken van plotse of harde geluiden, sterk afgeleid worden van omgevingsgeluiden waardoor er concentratieproblemen zijn. Maar het kan ook zijn dat het kind juist niet op bv zijn naam reageert, juist houdt van lawaai maken, vreemde geluiden en drukte.
  • Op het gebied van het ruiken: Het kind kan misselijk worden van bepaalde geuren of ze juist opzoeken door overal aan te ruiken. –
  • Op het gebied van het proeven: Het kind kan moeite hebben met de verschillende smaken (of structuren en temperaturen) van het eten, kan kokhalzen, houdt bv van extreem pittig voedsel of wil altijd hetzelfde eten, wil geen warm eten enz.

Aanpak bij vermoeden van SI problemen
Herkent u uw kind in de voorbeelden? Dan is het goed om met uw kind langs te gaan bij een gespecialiseerde SI therapeut. Die kan onderzoeken en in kaart brengen van welke eventuele. over- en ondergevoeligheden en discriminatieproblemen er sprake is bij uw kind en de relatie daarvan met de motoriek en/of het gedrag bekijken. Waarna uitleg, adviezen en evt SI therapie kan volgen.

In de therapie wordt veel gebruik gemaakt van spelletjes die de verwerking van zintuiglijke informatie stimuleren. Er is in aanvang veel aandacht voor wat een kind wel al kan of durft. De therapeut kijkt tevens waar de problemen zich vóór doen, zodat de omgeving het kind ook op een andere manier kan gaan benaderen. Desgewenst worden ook de school of andere hulpverleners bij de behandeling betrokken.